Parkeerbelasting verschuldigd bij stilstaan om te bellen

De Gemeentewet staat toe dat gemeenten parkeerbelasting heffen. Het begrip parkeren houdt in het gedurende een aaneengesloten periode laten staan van een voertuig voor een ander doel dan het onmiddellijk in- en uitstappen van personen of het onmiddellijk laden en lossen van zaken.

Volgens Hof Amsterdam betekent dit dat het stilzetten van een auto om een telefoongesprek te voeren op een parkeerplaats onder het begrip parkeren valt. Dat geldt ook als dat telefoongesprek en dus het stil staan van de auto slechts korte tijd heeft geduurd. Het hof begrijpt dat de automobilist, aan wie vanwege het voeren van een telefoongesprek een naheffingsaanslag parkeerbelasting is opgelegd, dit onredelijk vindt. De vraag of het onredelijk is parkeerbelasting te heffen in deze situatie staat niet aan de belastingrechter ter beoordeling.

Diplomatieke vrijstelling geldt ook voor parkeerbelasting

Het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer kent een vrijstelling van alle belastingen en rechten, zowel persoonlijke als zakelijke. De vrijstelling geldt voor diplomatieke ambtenaren en betreft landelijke, gewestelijke en gemeentelijke belastingen. Er geldt een uitzondering op de vrijstelling voor heffingen wegens bepaalde verleende diensten.

Volgens Hof Den Haag betekent dit dat een diplomaat is vrijgesteld van parkeerbelasting. Dat is een gemeentelijke belasting die niet kan worden aangemerkt als een heffing voor verleende diensten. Zowel uit de tekst van de wettelijke bepalingen als uit de Memorie van Toelichting bij de wetswijziging blijkt dat de parkeerbelasting een belasting is en geen heffing wegens verleende diensten, zoals gemeentelijke leges. Voor dat oordeel vindt het hof niet belang dat de parkeerbelasting niet alleen voor de financiering van overheidsuitgaven maar ook ten behoeve van de parkeerregulering wordt geheven.

Forensenbelasting

Gemeenten mogen forensenbelasting heffen van natuurlijke personen die, terwijl zij elders hun hoofdverblijf hebben, in de gemeente op meer dan 90 dagen de beschikking hebben over een gemeubileerde woning voor zichzelf of hun gezin.

Wanneer een gemeubileerde woning is bestemd voor de verhuur, maar ook door de eigenaar zelf wordt gebruikt, wordt de gehele periode waarin eigen gebruik niet in verband met verhuur is uitgesloten, toegerekend aan de periode waarin de woning de eigenaar ter beschikking staat.

Er mag geen aanslag forensenbelasting worden opgelegd wanneer de eigenaar de vakantiewoning niet heeft gebruikt of niet op meer dan 90 dagen per jaar beschikbaar heeft gehouden voor zichzelf of zijn gezin.

De eigenaar van een vakantiewoning verhuurde deze in 2016 via een bemiddelingsbureau. De eigenaar had het bemiddelingsbureau echter niet het exclusieve recht tot verhuur toegekend. Dat zou betekenen dat hij zelf niet in de woning zou kunnen verblijven als deze niet verhuurd is. Op grond van de verhuurbemiddelingsovereenkomst was eigen gebruik door de eigenaar en zijn gezin gemaximeerd op 90 dagen. Die bepaling vormde volgens Hof Arnhem-Leeuwarden geen reële beperking van de beschikbaarheid van de woning. In ieder geval kon niet op grond van deze bepaling worden geoordeeld dat het eigen gebruik gedurende meer dan 90 dagen was uitgesloten. Naar het oordeel van het hof was terecht een aanslag forensenbelasting opgelegd.

Geen vermindering nageheven parkeerbelasting

In de Gemeentewet is bepaald dat een naheffingsaanslag parkeerbelasting kan worden berekend over een parkeerduur van een uur, tenzij aannemelijk is dat het voertuig langer dan een uur zonder betaling geparkeerd heeft gestaan. De tekst van deze bepaling houdt in dat een naheffing niet behoeft te worden beperkt tot de te weinig betaalde belasting, zoals Hof Arnhem-Leeuwarden onlangs in een procedure heeft geoordeeld.

Volgens de Hoge Raad is uit de totstandkomingsgeschiedenis van het betreffende artikel in de Gemeentewet af te leiden dat de gemeentelijke wetgever de keuze heeft om te bepalen dat forfaitair op basis van een parkeerduur van een uur wordt nageheven of dat wordt nageheven op basis van de werkelijke parkeerduur op het moment van de constatering dat zonder betaling is geparkeerd. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het hof vernietigd, omdat de gemeente in de gemeentelijke verordening heeft gekozen voor forfaitaire naheffing. De heffingsambtenaar heeft in dit geval terecht de naheffingsaanslag berekend over een parkeerduur van een uur en hoeft het betaalde bedrag van € 1 niet te verrekenen met de naheffingsaanslag.

Plan invoeren vliegbelasting

Het kabinet wil per 1 januari 2021 een belasting op vliegtickets invoeren. Bij voorkeur zou er een Europese belasting op luchtvaart moeten komen. Daarop vooruitlopend heeft de staatssecretaris van Financiën een voorstel voor een nationale vliegbelasting uitgewerkt, dat voor advies naar de Raad van State is gestuurd. Het voorstel gaat uit van een vast tarief per passagier en sluit daardoor aan bij de belastingen op luchtvaart van andere Europese landen. Het wetsvoorstel wordt naar verwachting in het voorjaar van 2019 naar de Tweede Kamer gestuurd.

Naast dit plan wordt onderzocht of een Europese heffing op kerosine haalbaar is.

Klok van uurwerkhersteller is reclame-uiting

De Gemeentewet staat toe dat gemeenten reclamebelasting heffen. Dat is een belasting ter zake van openbare aankondigingen die zichtbaar zijn vanaf de openbare weg. Een openbare aankondiging is een tot het publiek gerichte mededeling, die erop is gericht de belangstelling van het publiek te trekken voor hetgeen wordt aangekondigd. Het begrip openbare aankondiging omvat elke tot het publiek gerichte mededeling van commerciële of ideële aard waarmee de aandacht wordt getrokken voor een dienst, een product of een boodschap.

Een klok, die is bevestigd aan de gevel van de werkplaats van een uurwerkhersteller, is een dergelijke tot het publiek gerichte mededeling. De klok moet de aandacht vestigen op de dienstverlening van de uurwerkhersteller. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemeente terecht reclamebelasting geheven. De vorm van de klok paste bij de bouwstijl van de werkplaats en was in dezelfde kleur geschilderd als de kozijnen en de deur van de werkplaats. De rechtbank vond met name de duidelijk kenbare visuele samenhang tussen de klok en de werkplaats van belang.

Naheffing parkeerbelasting

In een procedure over een naheffingsaanslag parkeerbelasting is weer eens duidelijk geworden dat geld niet altijd een rol speelt en dat principes geld kosten.

De naheffingsaanslag betrof een bedrag van € 63,50, waarvan € 2,60 parkeerbelasting voor een uur parkeren en € 60,90 kosten. De belanghebbende had € 1 aan parkeerbelasting betaald. De begintijd was volgens het parkeerkaartje 13.58 uur en de eindtijd was 14.21 uur. Parkeercontroleurs constateerden om 14.24 uur dat onvoldoende parkeerbelasting was betaald. De rechtbank heeft de naheffingsaanslag met € 1 aan reeds betaalde parkeerbelasting verminderd. De betaalde belasting had betrekking op een periode die volledig viel binnen de periode waarover parkeerbelasting is nageheven. Volgens de rechtbank mag niet meer dan het niet betaalde bedrag worden nageheven.

De heffingsambtenaar ging tegen de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep. Ook volgens Hof Arnhem-Leeuwarden kan alleen het niet betaalde deel van de parkeerbelasting worden nageheven. Reeds betaalde belasting kan met andere woorden niet in een naheffingsaanslag worden begrepen. Op grond van de Gemeentewet wordt een naheffingsaanslag parkeerbelasting berekend over een parkeerduur van een uur, tenzij aannemelijk is dat het voertuig langer dan een uur zonder betaling geparkeerd heeft gestaan. Indien duidelijk is dat ten tijde van de constatering de periode waarover belasting is verschuldigd minder dan een uur bedraagt moet de nageheven belasting naar evenredigheid worden verlaagd.  Dat betekende in deze casus dat slechts over 26 minuten parkeerbelasting verschuldigd was. De belanghebbende had al voor 23 minuten parkeerbelasting betaald. Het na te heffen bedrag aan parkeerbelasting had beperkt moeten blijven tot € 0,13. Het hoger beroep van de heffingsambtenaar was ongegrond. Omdat de belanghebbende geen hoger beroep had ingesteld, was er geen aanleiding om de naheffingsaanslag verder te verminderen dan de rechtbank had gedaan. De heffingsambtenaar moest het griffierecht van € 501 betalen en aan de belanghebbende een proceskostenvergoeding van € 69,96 betalen.

Het hoger beroep tegen een vermindering van de naheffingsaanslag met € 1 kostte de gemeente alleen aan griffierecht en proceskostenvergoeding een bedrag van € 571.

Naheffingsaanslagen parkeerbelasting vernietigd

Betaald parkeren wordt vaak geregeld door het instellen van een gemeentelijke parkeerbelasting. Bij het niet betalen van parkeerbelasting of bij overschrijding van de parkeertijd kan een naheffingsaanslag worden opgelegd. De parkeerder moet de verschuldigde belasting direct na het parkeren van zijn auto betalen. De betaling van de parkeerbelasting moet bij controle kenbaar zijn. Naheffingsaanslagen parkeerbelasting leiden behalve tot ergernis nogal eens tot procedures. Een tweetal zaken ter illustratie.

Een parkeercontroleur, die constateerde dat geen parkeerkaartje zichtbaar aanwezig was in een auto, legde een naheffingsaanslag parkeerbelasting op. De controleur had foto’s gemaakt waarop een deel van het dashboard te zien was. De eigenaar van de auto verklaarde dat hij een parkeerkaartje had gekocht en achter de voorruit had gelegd, maar op een plek die niet op de foto te zien was. Bij zijn terugkomst was de parkeertijd nog niet verstreken. De eigenaar onderbouwde zijn standpunt met een kopie van een parkeerkaartje, waarop de eindtijd en het betaalde bedrag waren vermeld. Gezien eindtijd en betaald bedrag was aannemelijk dat parkeerbelasting was betaald voor de controleur de naheffingsaanslag had opgelegd. De gemeentelijke heffingsambtenaar moest bewijzen dat de parkeercontroleur geen parkeerkaartje had aangetroffen in de auto. Daar slaagde hij naar het oordeel van het gerechtshof niet in. Dat bewijs had geleverd kunnen worden met extra foto’s of met de verklaring van een tweede parkeercontroleur. Het hof heeft de naheffingsaanslag vernietigd.

Een parkeerder moet een redelijke termijn worden gegund om de verschuldigde parkeerbelasting te betalen nadat hij zijn auto heeft geparkeerd. Hoe lang een redelijke termijn is, hangt af van de omstandigheden ter plaatse. De gemeentelijke heffingsambtenaar meende dat drie minuten voldoende tijd was om de parkeerbelasting te betalen. De parkeerder bestreed dat. De dichtstbijzijnde parkeerautomaat was geschikt om te betalen met de inmiddels afgeschafte chipknip. Op de parkeerautomaat stond niet dat betaling met bankpas niet mogelijk was. De mogelijkheid om een bankpas in te voeren in de automaat was niet geblokkeerd. Na het invoeren van de aankomsttijd en parkeerduur verscheen de melding “interne storing” op de automaat. Daarna ging de parkeerder op zoek naar een andere parkeerautomaat, omdat hij meende dat de automaat defect was. Het gerechtshof was van oordeel dat de parkeerder terecht op zoek was gegaan naar een andere parkeerautomaat om de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen. In dit geval vond het hof drie minuten geen redelijke termijn. Daarom vernietigde het hof de naheffingsaanslag.