Coronacrisis geen aanleiding voor verlegging waardepeildatum winkelpand

De waarde van onroerende zaken in Nederland wordt jaarlijks vastgesteld. Als peildatum voor de waarde geldt 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar. Dat is anders indien de onroerende zaak na de peildatum wordt gewijzigd of van bestemming verandert of een verandering in waarde ondergaat als gevolg van een bijzondere omstandigheid. In dat geval wordt uitgegaan van de toestand op 1 januari van het kalenderjaar waarvoor de waarde wordt vastgesteld.

In een procedure over de WOZ-waarden van enkele winkelpanden was in geschil of de waardepeildatum verlegd diende te worden. De procedure betrof WOZ-beschikkingen van 2021, die uitgaan van de waarde op 1 januari 2020. De eigenaar van de winkelpanden meende dat in verband met de coronacrisis moest worden uitgegaan van de toestand op 1 januari 2021.

De coronacrisis en de in verband daarmee getroffen overheidsmaatregelen zouden invloed hebben gehad op de waarden van de onroerende zaken. De coronacrisis is wel een bijzondere omstandigheid, maar geen omstandigheid is die specifiek voor deze onroerende zaken geldt. Overigens volgt uit de wetsgeschiedenis dat overheidsmaatregelen, die de waarde kunnen beïnvloeden, geen grond zijn om de WOZ-waarde te bepalen per de toestandspeildatum in plaats van per de reguliere waardepeildatum. De rechtbank heeft het beroep van de eigenaar ongegrond verklaard.

Referentieobjecten WOZ-waardering

In een procedure voor Hof Arnhem-Leeuwarden was in geschil of de waarde van een woning te hoog was vastgesteld. De belanghebbende bestreed de vastgestelde waarde aan de hand van drie referentieobjecten die aan dezelfde weg gelegen waren. De waardematrix van de heffingsambtenaar bevatte vijf referentieobjecten, waarvan twee woningen ook op het lijstje van de belanghebbende stonden. Volgens de belanghebbende waren de andere drie door de heffingsambtenaar opgevoerde woningen als referentieobject ongeschikt en heeft de heffingsambtenaar de door de belanghebbende als derde opgevoerde woning ten onrechte niet meegenomen bij de waardebepaling. De heffingsambtenaar had die woning niet meegenomen vanwege de lage verkoopprijs ten opzichte van de andere referentiewoningen. Volgens het hof week de transactieprijs van deze woning zozeer af van de andere prijzen dat deze woning buiten beschouwing moest blijven, omdat een opgaaf van reden voor de lage prijs ontbrak. De heffingsambtenaar heeft onderzocht of sprake was geweest van een onzakelijke transactie, maar dat bleek niet het geval te zijn. Een reden voor de afwijkende transactieprijs heeft hij niet kunnen achterhalen.

Volgens de Hoge Raad is zonder nadere motivering niet begrijpelijk waarom het prijsverschil aanleiding zou moeten zijn om de gegevens met betrekking tot de recente verkoop van deze woning buiten beschouwing te laten. Hof Den Bosch moet de zaak nu verder behandelen.

Ongeoorloofd onderscheid in forensenbelasting

Een van de belastingen die gemeenten op grond van de Gemeentewet mogen heffen is de forensenbelasting. Dat is een belasting die wordt geheven van natuurlijke personen die niet in de gemeente wonen maar er wel een woning hebben. De woning moet gemeubileerd zijn en op meer dan negentig dagen van het belastingjaar voor de eigenaar en zijn gezin beschikbaar zijn.

Gemeenten mogen in beginsel zelf de heffingsmaatstaven van gemeentelijke belastingen bepalen. Die vrijheid wordt begrensd door algemene rechtsbeginselen zoals het gelijkheidsbeginsel.

De gemeente Ommen maakt bij de forensenbelasting onderscheid tussen woningen op een recreatieterrein en andere woningen. Voor de eerste categorie woningen geldt een vast bedrag aan forensenbelasting, ongeacht de waarde van de woning. In het belastingjaar 2015 was dat een bedrag van € 225. Voor de tweede categorie is de hoogte van de forensenbelasting gekoppeld aan de WOZ-waarde van de woning. Bij een WOZ-waarde van minder dan € 60.000 bedroeg de belasting € 755. Bij een WOZ-waarde van € 140.000 of meer bedroeg de forensenbelasting € 1.620. Naar het oordeel van Hof Arnhem-Leeuwarden is de gemeentelijke belastingverordening op dat punt in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Voor het verschil in behandeling ontbrak een verklaring. De enkele omstandigheid dat een gemeubileerde woning al dan niet deel uitmaakt van een recreatieterrein is geen rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling.

Het hof heeft de aanslag, waarop de procedure betrekking had, verlaagd tot een bedrag van € 225.

WOZ-waarde appartement verlaagd door gelijkheidsbeginsel

Bij de vaststelling van de WOZ-waarde van een onroerende zaak wordt in beginsel aangesloten bij de verkoopprijs wanneer de verkoopdatum dicht bij de waardepeildatum ligt. Onder omstandigheden kan dit anders zijn. De partij die zich daarop beroept moet aannemelijk maken waarom de koopsom niet de WOZ-waarde weergeeft.

Een woningeigenaar deed een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Het gelijkheidsbeginsel is een van de beginselen van behoorlijk bestuur. De overheid moet deze beginselen in acht nemen bij de uitvoering van overheidstaken. De gemeentelijke heffingsambtenaar zou de zogenaamde meerderheidsregel hebben geschonden door de WOZ-waarde van tien nagenoeg identieke appartementen in hetzelfde appartementencomplex lager vast te stellen dan de door hem betaalde koopsom. Naar zijn mening diende de WOZ-waarde van zijn appartement daarom op € 225.000 in plaats van op € 254.000 gesteld te worden. De gemeentelijke heffingsambtenaar meende dat het voor de waardering uitmaakt of een woning kort voor of na de peildatum is verkocht of niet. Van woningen die niet rond de peildatum zijn verkocht moet de waarde door middel van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn worden bepaald. Voor woningen die kort voor of na de peildatum zijn verkocht geldt de transactieprijs.

Hof Den Haag deelde de opvatting van de eigenaar dat de meerderheidsregel was geschonden. Vast stond dat de door de eigenaar aangehaalde appartementen identiek waren aan het door hem aangekochte appartement. De heffingsambtenaar heeft niet aangegeven dat er in de gemeente nog meer identieke appartementen waren. Het hof stelde de WOZ-waarde van het appartement vast op € 225.000.

Geen tariefdifferentiatie overdrachtsbelasting

In de Tweede Kamer zijn vragen gesteld over de fiscale behandeling van verhuurde woningen. Een van de vragen is of de staatssecretaris bereid is vastgoedportefeuilles die meer dan drie woningen bevatten altijd in box 1 in plaats van in box 3 te belasten, bijvoorbeeld door een dergelijke portefeuille als onderneming aan te merken. De staatssecretaris wijst op de rangorde van de Wet IB 2001. Aan de hand van feiten en omstandigheden wordt beoordeeld of het gaat om ondernemingsvermogen, om resultaat uit overige werkzaamheden of om beleggingen die in box 3 vallen. De staatssecretaris wijst erop dat aan de Eerste en Tweede Kamer toezeggingen zijn gedaan om onderzoek te doen naar een andere wijze van belastingheffing over huurinkomsten uit onroerende zaken. Het doel van dat onderzoek is niet om beleggen in woningen fiscaal minder aantrekkelijk te maken, maar om varianten in beeld te brengen die kunnen bijdragen aan een beter belastingstelsel.

Het tarief voor de overdrachtsbelasting, dat is de belasting die betaald moet worden bij verkrijging van bestaande onroerende zaken, bedraagt 2% voor woningen en 6% voor andere onroerende zaken. De staatssecretaris ziet niets in een gevarieerd tarief voor de overdrachtsbelasting om het voor beleggers minder interessant te maken om woningen te kopen voor de verhuur. Een dergelijke variatie zou moeten bestaan uit een nultarief voor starters op de woningmarkt en een hoger tarief van bijvoorbeeld 10% voor derde en verdere woningen. Volgens de staatssecretaris leidt dat tot ingewikkelde regelgeving en het risico van ontwijking van het hoge tarief door middel van constructies.

WOZ-waarde bedrijfsterrein met opslagtanks

Een procedure voor Hof Arnhem-Leeuwarden had betrekking op de WOZ-waarde van een bedrijfsterrein met opstallen en installaties. In geschil was of de op het terrein aanwezige opslagtanks roerende of onroerende zaken waren. Wanneer de tanks roerend zouden zijn, maakte de waarde van de tanks geen deel uit van de WOZ-waarde van het bedrijfsterrein. Onroerende zaken zijn grond en gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd. Dat kan rechtstreeks maar ook door vereniging met andere gebouwen en werken. Volgens vaste jurisprudentie is een bouwwerk, dat naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven, onroerend. Voor het antwoord op de vraag, of dat het geval is, is niet doorslaggevend dat het technisch mogelijk is om het bouwwerk te verplaatsen.

Het hof was van oordeel dat, gelet op de aard van het bedrijf en de inrichting van het terrein, de tanks voor meerdere jaren op dezelfde plaats zouden blijven staan. Bepalend daarvoor waren het aanwezige en gedeeltelijk vaste leidingnetwerk en de funderingen waarop en de betonnen putten waarin de tanks waren geplaatst. Het hof onderzocht vervolgens of de werktuigenvrijstelling van toepassing was op de tanks. Dat gold alleen voor de tot in de tanks aanwezige roerwerken. Die konden verwijderd worden uit de tank zonder schade aan de tank aan te brengen.