Kort uitstel van betaling naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting

In verband met de coronacrisis heeft de Belastingdienst tijdelijk geen invorderingsmaatregelen getroffen. Dat gold onder meer voor de motorrijtuigenbelasting. Per 1 oktober is de Belastingdienst weer begonnen met de invordering van belastingschulden. De staatssecretaris van Financiën biedt mensen die naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting niet hebben betaald de mogelijkheid van kort uitstel van betaling. Dat geldt ook als inmiddels meer dan vier maanden zijn verstreken na de uiterste betaaldatum van de aanslag. De ontvanger kan voor naheffingsaanslagen  motorrijtuigenbelasting, die voor 1 oktober betaald moesten zijn, uitstel van betaling toekennen voor maximaal vier maanden, te rekenen vanaf 1 oktober 2021. Dit betekent dat als het uitstel per 1 november 2021 wordt verleend, het uitstel nog maximaal drie maanden kan bedragen.

Uitzondering op eis vlakke laadvloer

Om voor de heffing van bpm en mrb te kwalificeren als bestelauto dient de laadruimte van het voertuig voorzien te zijn van een vlakke laadvloer. De laadvloer dient aan zekere afmetingen te voldoen. Een hoogteverschil in de laadvloer is toegestaan wanneer de motor of de brandstoftank onder de laadvloer is geplaatst. Aan deze uitzonderingen op de eis van een vlakke laadvloer is het accupakket toegevoegd. Deze wijziging geldt met ingang van 10 september 2020.

Kampeerauto niet vergelijkbaar met bestelauto

In een arrest uit 2017 over de heffing van bpm bij invoer van een gebruikte kampeerauto heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de afschrijving op een kampeerauto veel lager is dan op een gesloten bestelauto. Dat wordt mede veroorzaakt door het beperkte gebruik dat doorgaans van een kampeerauto wordt gemaakt.

Onder verwijzing naar dit arrest heeft Hof Den Bosch geoordeeld dat de Belastingdienst terecht een naheffingsaanslag bpm heeft opgelegd in een geval waarin de afschrijving van een gebruikte kampeerauto in de aangifte bpm was vastgesteld overeenkomstig die van de bestelauto waarop de kampeerauto was gebaseerd.

Nieuwe of gebruikte auto niet op basis van lage kilometerstand

De discussie of een auto ten tijde van de registratie in Nederland nieuw of gebruikt is, duurt voort. Het belang is groot, omdat voor gebruikte auto’s de bpm lager is dan voor nieuwe auto’s. Een nieuwe auto is een auto die na de vervaardiging niet of nauwelijks in gebruik is geweest. 

Bij een geschil over de staat van een auto ten tijde van de registratie in Nederland rusten de stelplicht en de bewijslast van de gebruikte staat op de belanghebbende, die zich op de vermindering van bpm beroept.

Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden is, ook in gevallen waarin een auto geen gebruikssporen vertoont, elke exacte grens op basis van de kilometerstand arbitrair. Van geval tot geval zal de staat van de auto dienen te worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden. Naar het oordeel van het hof kan van auto’s met kilometerstanden van respectievelijk 814, 782 en 797 niet gezegd worden dat zij na de vervaardiging niet of nauwelijks zijn gebruikt. Het hof vindt niet van belang dat deze kilometerstanden zijn bereikt door het in één enkele rit verplaatsen van de auto’s van de leverancier naar de belanghebbende. De procedure had betrekking op drie in België nieuw gekochte auto’s die na de aankoop naar Nederland werden gereden.

Hof Den Haag en Hof Amsterdam hebben recent anders geoordeeld. Volgens deze hoven is een auto met maximaal 1.000 km op de teller nieuw.

Hof Den Haag merkt auto met minder dan 1.000 km op de teller aan als nieuw

Voor de heffing van bpm bij invoer is van belang of het voertuig nieuw of gebruikt is op het tijdstip van registratie in het kentekenregister. Een nieuw voertuig is een voertuig dat na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks is gebruikt. De bewijslast van de gebruikte staat van het voertuig rust op de invoerder.

Een personenauto met op het moment van registratie 758 kilometer op de teller is door de rechtbank Den Haag aangemerkt als een gebruikte auto. De auto is in het buitenland nieuw aan de invoerder geleverd. De kilometerstand was het gevolg van het vervoer van de auto van de plaats van aankoop naar Nederland. De rechtbank verwees naar een arrest van de Hoge Raad. Daaruit volgt dat het voor de staat van een voertuig ten tijde van de registratie niet ter zake doet met welke intentie de auto in het buitenland is gekocht en gebruikt.

In hoger beroep oordeelde Hof Den Haag anders. In het door de rechtbank aangehaalde arrest ging het om een auto waarmee in het buitenland circa 3.000 kilometer was gereden. Dat aantal kilometers was zodanig dat de auto niet kon worden aangemerkt als niet of nauwelijks gebruikt. De vraag bij welk in het buitenland gereden kilometrage geen sprake meer is van een nieuwe auto ligt volgens Hof Amsterdam bij 1.000 kilometer. Op het moment dat deze kilometerstand is bereikt, zal de modale autokoper een auto niet meer als nieuw aanvaarden. Hof Den Haag sluit zich aan bij deze grens van 1.000 km. Dat betekent dat de auto met 758 km op de teller als nieuw diende te worden aangemerkt.

Daling verkoop auto’s, bpm-opbrengst licht omhoog

Ondanks de daling van de verkoop van personenauto’s in de eerste helft van 2019 met ongeveer 10% ten opzichte van vorig jaar, is de bpm-opbrengst toch licht gestegen. Volgens de staatssecretaris van Financiën komt dat doordat de nieuwe auto’s in 2019 gemiddeld zwaarder en duurder zijn dan in voorgaande jaren. De CO2-uitstoot van deze auto’s ligt gemiddeld hoger, met een hogere bpm als gevolg. De omschakeling van de testmethode waarmee de uitstoot wordt bepaald heeft volgens de staatssecretaris geen invloed op de bpm-opbrengst.

Per 1 juli 2020 wordt de CO2-uitstoot volgens de nieuwe testmethode de heffingsgrondslag voor de bpm. Vanwege de toezegging dat de totale opbrengst van de bpm niet zal stijgen door deze omschakeling worden de bpm-tarieven en CO2-schijflengtes per 1 juli 2020 aangepast ter compensatie van de hogere CO2-uitstoot volgens de nieuwe methode. De staatssecretaris wijst erop dat deze aanpassing van de tarieftabel zal worden uitgevoerd aan de hand van het gemiddelde verschil tussen de CO2-uitstoot volgens de oude en de nieuwe methode. Hierdoor is het mogelijk dat de bpm op sommige auto’s stijgt en op andere auto’s daalt. De aanpassingen in de Wet BPM worden opgenomen in het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2020. Dat wetsvoorstel wordt op Prinsjesdag ingediend bij de Tweede Kamer als onderdeel van het jaarlijkse Belastingplan.

Auto met transportschade is nieuw voor bpm

Bij de registratie in Nederland van een personenauto of motorfiets moet belasting van personenauto’s en motorfietsen (bpm) worden betaald. Dat geldt ook voor de registratie van een uit het buitenland afkomstig gebruikt voertuig. De bpm voor een gebruikt voertuig is lager dan voor een nieuw voertuig. De kwalificatie als nieuw of gebruikt is daarom belangrijk. Een nieuwe personenauto voor de bpm is volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad een auto die niet of nauwelijks is gebruikt.

Een auto zonder gebruikssporen maar met transportschade is volgens Hof Arnhem-Leeuwarden een nieuwe auto. Transportschade is geen gevolg van gebruik en daarom niet van belang voor de kwalificatie van de auto als nieuw of gebruikt. De auto met transportschade had bij registratie slechts 20 kilometer gereden. Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden was de auto na vervaardiging nauwelijks gebruikt. Afschrijving op de bpm in verband met gebruik was niet aan de orde.

Aanpassing BPM per 1 juli 2020

De BPM, de belasting van personenauto’s en motorfietsen, wordt geheven aan de hand van de CO2-uitstoot van het betreffende voertuig. Sinds 1 september 2018 moeten nieuwe auto’s in de Europese Unie worden getest met de WLTP-methode. Deze methode vervangt de verouderde NEDC-methode. Voor de berekening van de verschuldigde BPM wordt echter nog steeds uitgegaan van de CO2-uitstoot volgens de NEDC-methode. Uit onderzoek is gebleken dat de CO2-uitstoot van personenauto’s volgens de WLTP-methode gemiddeld hoger is dan volgens de NEDC. Het kabinet heeft toegezegd dat de BPM-opbrengst niet zal stijgen als gevolg van de wijziging van testmethode. De veranderde testmethode maakt auto’s immers niet minder zuinig.

Vanaf 2021 mag de gemiddelde CO2-uitstoot van nieuwe personenauto’s niet hoger zijn dan 95 gram per kilometer. Dat is een Europese norm, gebaseerd op de NEDC-methode. Daarom krijgen alle WLTP-geteste auto’s tot en met 2021 ook een CO2-uitstoot conform de NEDC. Dat kan een berekende waarde zijn of een testwaarde.

In de Wet Overige fiscale maatregelen 2017 is geregeld dat de NEDC CO2-uitstoot van WLTP- auto’s gebruikt kan worden voor de heffing van BPM. Dat is een tijdelijke oplossing totdat een op WLTP-testresultaten gebaseerde tarieftabel beschikbaar is. Uit onderzoek van TNO blijkt dat de NEDC CO2-uitstoot van WLTP-auto’s hoger is dan verwacht. Dat zou leiden tot een stijging van de BPM. Het verschil in CO2-uitstoot kan worden verklaard doordat de nieuwe WLTP-auto’s gemiddeld zwaarder zijn en over meer motorvermogen beschikken dan hun NEDC-voorgangers.

Uit de onderzoeksresultaten van TNO maakt het kabinet op dat er voldoende inzicht is in de CO2-uitstoot van WLTP-auto’s om de tarieven van de BPM zodanig vast te stellen dat de gevolgen van de WLTP-omzetting voor de opbrengst van de BPM beperkt zijn. Omdat omzetting per 1 januari 2020 voor de autobranche te vroeg komt, kiest het kabinet ervoor om de nieuwe BPM-tarieftabel op te nemen in het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2020. De inwerkingtredingsdatum wordt 1 juli 2020. Dit betekent dat tot en met 30 juni 2020 de NEDC CO2-uitstoot de heffingsgrondslag blijft van de BPM.

Staatssecretaris verruimt youngtimerregeling niet

Leden van de Tweede Kamer hebben de staatssecretaris van Financiën gevraagd om de zogenaamde youngtimerregeling toe te passen op elektrische auto's van vijf jaar en ouder. De youngtimerregeling geldt voor auto’s van de zaak die ouder zijn dan 15 jaar. Voor deze auto’s bedraagt de bijtelling voor privégebruik 35% van de waarde in het economische verkeer. Deze afwijkende bijtellingsregeling is niet bedoeld om een fiscaal voordeel te bieden aan oudere auto’s van de zaak. Enerzijds houdt de regeling rekening met het lagere voordeel van de terbeschikkingstelling van een oudere en afgeschreven auto. Anderzijds houdt de regeling rekening met de mogelijkheid dat de waarde van de auto hoger is dan de oorspronkelijke cataloguswaarde, zoals dat bij in goede staat verkerende klassiekers voorkomt.

Het verlagen van de leeftijdsgrens van de youngtimerregeling voor elektrische auto’s naar vijf jaar zou de export van deze auto’s moeten beperken. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland heeft de export van elektrische personenauto’s geanalyseerd. Van de in 2013 in Nederland nieuw aangeschafte elektrische personenauto’s is 23% inmiddels geëxporteerd. De export betreft met name elektrische auto’s uit het duurdere segment. Goedkopere gebruikte elektrische auto’s worden geïmporteerd. Per saldo zijn in de afgelopen jaren ongeveer evenveel elektrische auto’s geïmporteerd als geëxporteerd.

De staatssecretaris ziet niets in de voorgestelde maatregel, omdat deze geen effect heeft op de particuliere markt, terwijl gebruikte elektrische auto’s juist hun weg naar de particulier moeten vinden. Om de ontwikkeling van een tweedehandsmarkt voor elektrische auto’s voor particulieren te stimuleren denkt het kabinet aan het vergoeden van laadtegoed, een aanschafsubsidie of een batterijgarantie.

Naheffing motorrijtuigenbelasting buitenlands kenteken

De houder van een motorrijtuig moet motorrijtuigenbelasting betalen. Het begrip motorrijtuig omvat personenauto’s, bestelauto’s, motorfietsen, vrachtauto’s en autobussen. Houder is de persoon op wiens naam het kenteken van het motorrijtuig is gesteld of de persoon die in Nederland een motorrijtuig met een buitenlands kenteken ter beschikking heeft. De motorrijtuigenbelasting moet vooraf worden betaald. Niet of te weinig betaalde belasting kan worden nageheven. Naheffing is ook mogelijk bij constatering van het gebruik van de weg met een motorrijtuig met buitenlands kenteken door een inwoner van Nederland.  De naheffingsaanslag wordt berekend over een periode van twaalf maanden, tenzij het gaat om een voertuig met buitenlands kenteken. In dat geval vangt het naheffingstijdvak aan op de datum van inschrijving van de houder in de basisregistratie personen of op de datum waarop de houder zich had moeten inschrijven. De na te heffen belasting wordt verminderd met de belasting die over de periode waarop de naheffingsaanslag betrekking heeft voor het motorrijtuig is betaald. De persoon aan wie de naheffingsaanslag wordt opgelegd, heeft de mogelijkheid om te bewijzen dat het motorrijtuig hem in de naheffingsperiode niet ter beschikking heeft gestaan.

In de praktijk betekent deze regeling dat aan mensen met een andere dan de Nederlandse nationaliteit naheffingsaanslagen worden opgelegd over langere perioden dan twaalf maanden. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft aan de Hoge Raad de vraag voorgelegd of deze regeling een verboden discriminatie naar nationaliteit inhoudt.

De Hoge Raad is van oordeel dat dit niet het geval is, zo lang het naheffingstijdvak niet eerder aanvangt dan aan het begin van het vijfde kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waarin het gebruik van de weg met het motorrijtuig is geconstateerd. De Hoge Raad vindt niet van belang of de houder van het motorrijtuig de persoon is op wiens naam het motorrijtuig in het buitenlandse kentekenregister staat gesteld. Voor het leveren van tegenbewijs is voldoende dat aannemelijk wordt gemaakt met ingang van welke dag het motorrijtuig in Nederland ter beschikking heeft gestaan.